Het Valleikanaal is tussen 1935 en 1941 gegraven om de afwatering in de Gelderse Vallei te verbeteren. Er was tot die tijd in het gebied regelmatig wateroverlast. Bij de aanleg van het kanaal is zoveel mogelijk gebruik gemaakt van bestaande watergangen. Deze werden verdiept en verbreed. Het Valleikanaal kwam te liggen langs de Grebbelinie, waar al een gracht lag.
In de zestiende eeuw werd in de omgeving van Veenendaal veel turf weg gegraven, waardoor het maaiveld meters lager kwam te liggen. De hele waterhuishouding raakte hierdoor verstoord. Voorheen liep het water door de Bisschop Davidsgrift naar de Grebbe en zo de Rijn in. Nu was de helling in het terrein verdwenen en werd het steeds moeilijker om op de Rijn af te wateren. De enige oplossing zou zijn om een kanaal te graven naar het noorden, richting de Eem.
![]() |
| Aanleg Valleikanaal in 1939 |
In het noorden zaten ze niet te wachten op deze plannen. Daar hadden ze hun eigen problemen met het water. Bovendien was het daar Utrecht, in die tijd min of meer een andere staat. Gelderland in het zuiden had echter een middel om druk uit te oefenen op Utrecht. Gelderland was verantwoordelijk voor de Grebbedijk. Als deze doorbrak, liep het water direct door naar het noorden en hadden ze daar de meeste overlast. In de loop van de zeventiende eeuw brak de Grebbedijk een aantal keer door en stond het gebied tot aan Amersfoort onder water.
Utrecht wist daar wel iets op en besloot langs de provinciegrens een dijk aan te leggen: de Slaperdijk. Zo bleef het water in Gelderland staan, maar werd ook de gewone afwatering belemmerd. Onderhandelingen liepen keer op keer op niets uit.
Pas door de aanleg van het Valleikanaal werd het probleem van de afwatering opgelost. De aanleg van het Valleikanaal werd mogelijk doordat in 1932 de Zuiderzee was afgesloten. Hierdoor kon de waterstand op het IJsselmeer op het gewenste peil worden gehouden, zodat afwatering van de Eem was verzekerd.
